JeugdWerkNet, dé plek op internet voor jeugdwerkers

werken met klei rond een religieus thema

Thema('s):
Aantal spelers:
5 - 99 spelers, in 1 groep(en)
Leeftijd:
13 - 18 jaar
Terrein:
Duur:
2 uren
Intensiteit:
rustig (rustig)
Materiaal:
  • chamotteklei : dit is niet de klei die gebruikt wordt bij het potten draaien, maar de klei die gebruikt wordt om te boetseren.
  • voor elk een houten plankje om op te werken
  • enkele mesjes, best met scherpe punt
  • houten spatels
  • deegrol
  • water
  • glazuren in poedervorm
  • fijn penseel.
  • een videocamera
  • een videorecorder en een televisiescherm
  • afbeelding van een middeleeuws, religieus schilderij.

Uitleg:

Speluitleg

13/14-jarigen

Werken met klei rond een religieus thema

Als je met jongeren een religieus onderwerp op kunstzinnige wijze wil uitwerken, is de keuze van het thema belangrijk. Bij evangelieverhalen kan je heel figuratief werken. Je kan ook onderwerpen zoeken die abstract uitgebeeld kunnen worden, zoals de schepping. Vooraleer je zo'n thema in kunst omzet, lees je best eens de desbetreffende passage en wijs je op een aantal zaken die belangrijk kunnen zijn bij de uitbeelding.

Een boeiende en tamelijk eenvoudige wijze om religieuze onderwerpen in kunst uit te beelden is keramiek. Werken met keramiek is voor de meeste jongeren een echte uitdaging. Ieder kan er zijn eigen vorm in weergeven. Let er echter op dat het stuk mooi afgewerkt wordt, want sommige jongeren zijn na een tijdje knutselen vlug tevreden met een niet volledig afgewerkt resultaat.

Je kan starten met eenvoudige motieven. In wat volgt, stel ik het ontwerpen van een keramieken kruisje voor. Geef als inleiding en tussendoor de betekenis van het kruis mee. Hou er ook rekening mee dat de hele procedure van ontwerpen, laten uitdrogen, glazuren en bakken een tiental dagen in beslag neemt. Daarom moet deze activiteit over twee vergaderingen gespreid worden.

Werkwijze :

Fase 1 : ontwerpen van het kruisje

1. Elke jongere tekent op dun papier een Christusfiguur met opengestrekte armen, ongeveer 9 cm groot. Dit patroon moet zo eenvoudig mogelijk zijn.
2. Elk krijgt een bolletje klei (grootte van een appel). De klei wordt met een deegrol uitgerold op het houten plankje tot een oppervlakte van ongeveer 15 cm op 15. De uitgerolde klei heeft een doorsnede van 15 à 20 mm.
3. Op de klei leg je het getekende patroon en met een balpen teken je de Christusfiguur door in de klei.
4. Met een mesje snijd je de Christusfiguur uit de klei.
5. Nu gaan we het kruisje maken waaraan de Christusfiguur bevestigd wordt. Daarvoor krijgt elk een nieuw stukje klei, dat uitgerold wordt tot een oppervlakte van 18 cm op 18.
6. Maak de uitgesneden Christusfiguur lichtjes vochtig, leg die op de uitgerolde klei en hecht de figuur eraan vast door goed aan te werken met een spatel.
7. De details (twee ogen, neus, mond, vingers) met de spatel en een stift aanduiden.
8. De vorm van het kruis rondom de Christusfiguur uitsnijden.
9. Bovenaan het kruis een stukje klei laten met een gaatje erin zodat het kruisje als hangertje kan worden gedragen.
10. Op de achterkant van het kruisje kan elk zijn naam griffen.

Fase 2 : glazuren van het kruisje

1. Als de kruisjes uitgedroogd zijn (na ongeveer 10 dagen), kan je ze glazuren. Glazuren zijn producten die op de kleifiguur worden aangebracht om die bij het bakken te kleuren. Gebruik zo weinig mogelijk giftige glazuren (met loodwit), want die zijn schadelijk voor de gezondheid. In elk geval tijdens het glazuren : niet roken, niet eten, en indien mogelijk, wat misschien moeilijker is, mond dichthouden.
2. Vier glazuren in een beperkte hoeveelheid volstaan ; bijvoorbeeld voor 10 kruisjes : 250 g rood, 250 g blauw, 250 g beige, 250 g groen. Kies glazuren die gebakken kunnen worden tussen 940° en 980°. Zorg ervoor dat alle gebruikte glazuren dezelfde baktemperatuur vereisen.
3. De glazuren worden aangemaakt met een weinig water tot ze de dikte hebben van yoghurt. Ze worden daarna met een fijn penseel op het werkstuk aangebracht. Dit aanbrengen gebeurt met kleine dopjes en niet door de glazuren uit te strijken, zoals men bijvoorbeeld een deur schildert.
4. Leg een tweede laag, zodat de kleuren mooi verdeeld zijn. De glazuren hebben voor het bakken een neutrale grijze kleur. Onthoud dus goed welk deel van het werkstuk je met een bepaalde kleur bewerkt hebt. Laat ieder zijn kleur aanbrengen naar eigen inspiratie. De één zal het kruishout in het rood glazuren en de Christusfiguur in het beige, de ander kiest groen voor het kruishout en rood voor de Christus. Je moet er wel voor zorgen dat alles bedekt is. De achterkant van het kruisje wordt vrijgehouden.

Fase 3 : bakken

1. Een keramiekoven kopen is zeer duur. Maar in je buurt is er vast een school, een V-dienst van een ziekenhuis (ergotherapie), een kunstacademie of een kunstenaar die over een oven beschikt. Met wat goede wil en eventueel een kleine bijdrage voor het energieverbruik valt er wel iets te regelen.
2. Er zijn 2 bakbeurten. De eerste beurt wanneer nog geen glazuur aangebracht is heet de ruwbrand of biscuitbrand. Je laat de oven twee uur aan 200° en daarna geleidelijk tot ongeveer 800° opwarmen. De tweede beurt heet de glazuurbrand. Daarbij breng je de oven geleidelijk tot de vereiste maximumtemperatuur. Daarna laat je de oven afkoelen tot onder de 200° (duurt 10 à 12 uur). Pas dan neem je de kruisjes eruit.
3. De temperatuur hangt af van de gebruikte klei en vooral van de glazuren. Er zijn glazuren die bij een temperatuur van 960° smelten, andere pas aan 1050°.
4. Eenmaal het kruisje gebakken is, kan je er een sierlijk koordje aan hechten, zodat je het op de hals kan hangen.

Tot besluit

Het ontwerpen, glazuren en bakken van een kruisje kan sterk catechetisch geduid worden. Daarenboven kan elk er zijn persoonlijkheid in leggen. Die betekenis van het kruis kan je met een kleine collage van evangelieteksten aanduiden. Zet de hieronder aangehaalde evangelietekstjes op één blad, en tracht aan de hand van vragen de kinderen te laten ontdekken wat de betekenis van het kruis is. Jezus genas mensen (zie bijv. Mt 9, 18-38 ; Mc 7, 31-37 ; Mc 8, 22-26), nam uitgestoten mensen weer op in de gemeenschap (zie bijv. Lc 5, 27-29 ; Joh 8, 1-11), bevrijdde mensen uit waanideeën en verslaving (Mc 1, 21-28). Maar die manier van leven gaf aanstoot aan mensen die al heel hun leven rechtvaardig leefden en trachtten te geloven (Mc 3, 1-6 ; Lc 5, 30-39). Stilaan groeide het verzet tegen Jezus Want de God die Jezus verkondigde, is een bevrijdende God, die uitdaagt om zich door Hem te laten beminnen, leef je ook op een bepaalde manier. Uiteindelijk is Jezus gestorven omdat mensen niet konden aanvaarden dat God nooit definitief mensen afschrijft, dat Hij steeds nieuwe kansen schept. Verrijzenis is volgens ons geloof het teken dat God zich aan de kant van Jezus schaart.

Ook moeilijkere onderwerpen kunnen in keramiek uitgebeeld worden. Het kerstgebeuren bijvoorbeeld leent zich daar zeer goed toe. Laat enkele kinderen eerst een patroon tekenen van Maria, Jozef en het kind. Kies de beste en de eenvoudigste uit om in een kleifiguurtje om te zetten.

15/16-jarigen

Video

Herinner jij je nog het bordje dat ze je in de kleuterschool voorhielden ? Bij de aanblik ervan hoorden we het woord te tieren dat erbij hoorde : appel ! Maar hetgeen ze ons voorhielden was geen appel, maar een rood omlijnde vorm met een steeltje bovenaan. Dit schamele beeld van de appel werd dan zo vlug mogelijk vervangen door het woord. Want kinderen die naar prenten kijken, zij lui en dom. Een foto, film of prent is niet veel meer dan illustratie, versiering, de woorden zijn het belangrijkste. Woorden zijn hetgeen men hoort te leren. De miljarden soorten appels, elk met hun eigen weelde aan kleuren en vormen, elk met hun steeltje, of de afwezigheid ervan, elk met hun eigen kontje onderaan, dat alles werd vervangen door één woord. Maar woorden zijn schamel, zelfs als het over appels gaat.

Wereldtaal

Ondertussen is de beeldtaal wereldtaal geworden, en is de woordtaal bedreigd. Het is niet dit laatste dat me nerveus maakt, maar wel dat ik met mijn eigen ogen zie dat er nauwelijks een beeldcultuur is. De infantielste beelden halen de grootste kijkdichtheid en de jongeren –bijvoorbeeld- pinnen prenten aan de muur die getuigen van een fris beeldanalfabetisme. Het is niet toevallig dat we zo weinig voeling hebben met de beelden, dat we er weer zo weinig in zien, dat beeldcultuur haast onbestaand is. Ons onderwijs heeft bijna geen aandacht voor beeldcultuur.

Is beeldtaal kunst ?

Net zo min als alle woorden kunst zijn, is alle beeldtaal kunst. Kunst, beeldende kunsten vooral, is iets apart. Het is de uitzondering, iets bijzonders.
Toch kan je met eenvoudige middelen jongeren laten proeven van meer betekenisvolle beelden. Je kan hen leren aanvoelen, begrijpen hoe beelden vaak 'meer' vertellen dan woorden.
We stellen je hier zeven werkvormen voor waarbij je de videocamera zelf ter hand moet nemen. We gaan niet gewoon beelden bekijken, we gaan ze zelf maken. Op die manier vermijden we in de val te lopen van enkel maar passief beeldjes te bekijken.
Je zal het zelf merken : de appel van het bordje zal er plots heel anders uitzien !

Materiaal

Je hebt voor onze tips enkel een videocamera, een videorecorder en een televisiescherm nodig. Oefen eerst zelf op voorhand met de camera : waarvoor dienen al die knopjes, welk resultaat krijg ik als ik tegen het licht film,...
Soms is een statief nuttig, maar een tafel kan ruim voldoende zijn.
Kan je de videocamera maar gebruiken als de eigenaar ervan zelf wil filmen, dan is ook dat geen probleem. We willen jongeren niet zelf leren filmen, alleen maar de creatieve mogelijkheden van video leren ontdekken.

Het kampjournaal

Doel : een gefilmd verslag van een vergadering, weekend of kamp kunnen tonen.

Uitwerking : telkens een activiteit plaatsvindt, film je 'de reporter' ter plaatse. Terwijl die zijn tekst voorleest, zie je op de achtergrond reeds de activiteit. Onmiddellijk daarna kan je nog wat beelden van die activiteit laten zien. Zorg ervoor dat je niet te lang filmt, je kan immers niet monteren. De gouden regel om beelden vlot op elkaar te laten volgen is heel eenvoudig. Tel, terwijl je filmt, traag « 21, 22, 23, 24 » (in stilte natuurlijk !). Nadat je zo'n vijf à tien beelden gefilmd hebt, sluit je af met een totaalbeeld. Eventueel kan de reporter nog iets zeggen tot besluit.

In een klein stationnetje

Doel : gedragingen van mensen aandachtig observeren.

Uitwerking : je gaat alleen of met de groep naar een station. Je filmt daar de mensenmassa. Je 'zoomt in' op één persoon (in die massa) en volgt hem/haar met de camera. Je herhaalt dit met verschillende mensen.
De beelden worden aan de groep getoond. Die kiest één persoon uit. De bewegingen van die persoon worden nauwkeurig bestudeerd, eventueel nagespeeld.
De begeleiding geeft nu een nieuwe plaats en situatie op waar de persoon van de video zich bevindt (b.v. in een restaurant). De groep moet nu zorgen dat ze deze situatie uitbeeldt, gebruik makend van precies dezelfde bewegingen die ze op video zagen. Ze mogen er ook andere bewegingen tussenvoegen.
Het resultaat kan opnieuw opgenomen worden en vergeleken worden met de oorspronkelijke beelden.

Draaien maar !

We brengen graag iets naar buiten. Denk maar aan de stukjes op school of de sketches rond het kampvuur.
Ook video leent zich uitstekend tot de presentatie van iets. De werkvorm die we voorstellen kan originele ideeën opleveren.
De videocamera staat op een statief in het midden van de ruimte. Ze moet 180° kunnen draaien. De ruimte wordt ingedeeld in verschillende scènes. Elke scène wordt heel summier aangekleed. Het decor bouw je op met enkele sobere elementen, de belichting kan je eventueel aanpassen door één spot al dan niet op de scène te richten. Terwijl je met de ene helft van je groep de eerste scène filmt, maakt de tweede helft van de groep de tweede scène klaar. De camera draait dan naar de tweede scène waar het verhaal verderloopt. Ondertussen wordt de derde scène klaargezet door de eerste groep, enz...
Het vraagt allemaal wat voorbereiding, maar het resultaat is vaak fascinerend. Zo kan je b.v. je werking voorstellen aan een groot publiek, het kerstverhaal uitbeelden, werken rond de derde wereld...Laat je fantasie de vrije loop !

Actie !

Doel : vanuit het bekijken van een afbeelding van een bijbelverhaal komen tot het uitbeelden en spelen van het verhaal.

Uitwerking : we vertrekken van een afbeelding van een middeleeuws, religieus schilderij. We kiezen een schilderij waar een bijbels tafereel is op afgebeeld. De groep bootst het schilderij na. Bij het verdelen van de 'rollen' kan je vragen naar het waarom van hun keuze. Vaak staan op het schilderij extra figuranten. Ook die worden uitgebeeld ! Het uitgebeelde schilderij wordt gefilmd. Wanneer 'actie' wordt geroepen komt het schilderij tot leven. De jongeren spelen hun versie van het bijbelverhaal. Daarna wordt in een gesprek dieper ingegaan op wat er gespeeld is, eventueel aan de hand van de videobeelden.

Videokunst

Doel : het inventariseren van religieuze voorwerpen en gebruiken.

Uitwerking : wie een beetje vertrouwd is met videokunst weet dat die vaak bestaat uit een montage van de meest bizarre beelden. Je moet maar naar MTV kijken om te weten wat we bedoelen.
In de uitnodiging voor de vergadering vraag je de groep om een paar muziekclips nauwkeurig te bestuderen. Vraag hen vooral te letten op de manier waarop er gefilmd is.

De groep krijgt als opdracht een videokunstwerkje te maken rond de religieuze voorwerpen en gebruiken.
Ze gaat hiervoor met de camera op stap. Het is niet voldoende om de voorwerpen of gebruiken zomaar te filmen. De groep zoekt telkens een originele manier om het gegeven in beeld te brengen.

Wat is kunst ?

Twee tips om een vergadering over kunst te starten.

1. Interview verschillende mensen op straat over kunst. Wat vinden zij van kunst ? Bezoeken ze wel eens een museum ? Toon het resultaat in het begin van de vergadering om het gesprek of de gekozen werkvorm in te leiden.
2. Film zelf verschillende (kunst)voorwerpen. Bedoeling is dat jongeren zelf bepalen wat zij kunst vinden, en wat niet.

Waar brandt het ?

Gewoon leuk is het volgende.
Je toont opnames van een groep mensen in een rij, in de kerk, op de markt, in het park,...
De groep beeldt telkens zelf ook die groep mensen uit.
Plots roep je 'STOP'. Je deelt mee dat de situatie veranderd is : het begint te regenen, er is brand, er gebeurt een ongeval, er verschijnt een naakte man, ...
De groep beeldt uit wat er nu gebeurt.
Je kan telkens een gesprek houden over de typische houdingen bij de verschillende gebeurtenissen. Waarom gaan we allemaal naar het ongeval kijken ? Heeft iemand de brand wel gezien ? Waarom schuilen we eigenlijk als het regent ?

17/18-jarigen

Sinds een jaar ongeveer maak ik tijdens het begeleiden van bezinningsdagen volop gebruik van het medium muziek. In dit artikel wil ik in de eerste plaats op beknopte wijze mijn visie op klasbezinningen schetsen en aangeven hoe het werken met muziek daarin past. Op die manier hoop ik duidelijk te maken waarin volgens mij het belang en de zin van (het werken met) muziek ligt. Maar tevens breng ik daarmee ook een beperking aan : ik gebruik muziek met het oog op bepaalde doelstellingen. Het werkmodel is daaraan aangepast en leent zich misschien minder tot andere doeleinden. In een tweede punt zal ik concreet beschrijven hoe ik met muziek werk.

Zin in muziek

Hoewel bezinningsdagen naar mijn smaak niet perse en zeker niet alleen geloofsoverdracht (in de zin van 'overdragen van een christelijke geloofsinhoud') beogen, blijven zij toch, zeker binnen een christelijke instelling, in de christelijke traditie staan. Wat de betekenis van die traditie kan zijn is voor heel wat jongeren niet echt duidelijk. Zij zijn wel geïnteresseerd in de fundamentele vragen en ervaringen van het bestaan. Maar dat het in de christelijke traditie om verwoordingen gaat van hoe mensen vanuit een welbepaalde invalshoek met die fundamentele vragen zijn omgegaan, ontgaat hen. Dat dit niet zo is, kan hen niet ten kwade geduid worden. Ook in de verkondiging wordt de inhoud van wat op zich geloofsgetuigenissen zijn al te vaak 'versteend' tot objectieve definities en werkelijkheden zodat het ervaringsaspect ervan op de achtergrond verdwijnt Precies om de mogelijkheid te scheppen dat jongeren weer zouden leren aanvoelen dat er een ervaringswerkelijkheid achter de traditie zit en dat het om verwoordingen gaat van een geestelijk zoeken waar zij ook mee bezig zijn, trek ik in mijn omgaan met jongeren resoluut de kaart van de ervaring. Mijn bezig-zijn met jongeren is erop gericht het tot het niveau van hun eigen diepere ervaringen te laten doorstoten.

Maar ervaringen, zo weten we, 'werken' niet uit zichzelf. Vooraleer bepaalde ervaringen kunnen optreden, is een duidingskader (een traditie) vereist. Precies op dat vlak situeert zich uiteraard een probleem. Omdat de overgeleverde traditie niet meer gezien wordt als een geduide ervaring, kan zij haar rol als referentiekader waarbinnen ervaringen kunnen optreden en doorleefd worden, niet meer naar behoren vervullen en functioneert de wisselwerking tussen ervaring en duiding niet meer. Daarom doe ik ook een beroep op alternatieve, eigentijdse 'duidingskaders' die iets van een 'geestelijk groeiproces' evoceren en die dichter staan bij de gevoeligheden, ervaringen en bezigheden van jongeren van vandaag. Binnen dit (theologische) kader staat mijn werken met muziek.
Bezinningsdagen zijn er in mijn optiek op gericht bij jongeren een reflectieproces over de vaste ondertoon in hun leven op gang te brengen of te stimuleren. En dit precies door hen te initiëren in verhalen en verbeeldingen waarin mensen hun tasten en zoeken hebben uitgedrukt. Centraal tijdens die dagen staan dus de ervaring, de verwoording van die ervaring en het zich leren openstellen voor de verwoordingen van anderen. Muziek speelt hierbij een bevoorrechte rol. Op zijn best is muziek, zoals andere kunstvormen, immers een uiting van het geestelijke zoekproces dat ik bij de leerlingen op gang wil brengen. Voor de jongeren zelf heeft muziek daarenboven een enorme zeggingskracht. Het is voor hen een onverdachte bron waardoor ze zichzelf tot in hun diepste lagen durven laten aangrijpen. Muziek spreekt hen zo aan dat het hun bereidheid tot ontvankelijkheid tot leren luisteren naar iets wat er op het eerste gezicht niet is, vergroot. Dat maakt muziek voor het bereiken van de gestelde doelen zo geschikt. Het werkmodel dat ik hierna aanbied is met het oog op die doelstellingen 'ontworpen' en op het bereiken van die doelen gericht.

Een mogelijk werkmodel

Als voorbereiding op de bezinningsdagen krijgen de leerlingen de opdracht uit hun muziekcollectie een stukje te kiezen dat hen op een bijzondere wijze raakt. Een hele scala van gevoelens is daarbij mogelijk. Het kan muziek zijn die hen stil en rustig maakt, die hen ontroert, die verdriet en pijn oproept of integendeel juist intens gelukkig maakt. Het kan muziek zijn die doet revolteren...Dat stukje muziek (opgenomen op cassette) en de tekst ervan (eventueel met Nederlandse vertaling zo het een anderstalige tekst betreft) brengen zij mee. Er wordt tevens gevraagd dat elke leerling een walkman bij zich zou hebben. (Uiteraard bezit niet elke jongere zo'n apparaat, maar de ervaring leert dat de opdracht, mits lenen bij vrienden of vriendinnen, meestal wel lukt.)

Op de bezinning zelf kent de 'muziekronde' een gefaseerd verloop. In een eerste stap vraag ik de leerlingen zich volledig op de muziek te concentreren. De bedoeling is dat de jongeren voor zichzelf proberen uit te klaren waarom ze precies die muziek gekozen hebben en dat ze die motivering proberen te verwoorden. De walkman bewijst hier zijn diensten. We gaan naar een stemmige ruimte waar ieder een plekje voor zichzelf kiest waar hij/zij rustig kan zitten. Ieder zet zijn/haar walkman op het hoofd en dompelt zich gedurende een half uurtje onder in het gekozen muziekstuk. Tijdens het luisteren probeert ieder voor zich uit te maken waarom dit muziekstuk werd gekozen. De leerlingen nemen daartoe enkele concrete vragen in beschouwing.
1. Wat gebeurt er met jou door de muziek die je meegebracht hebt ? Welke gevoelens,...brengt de muziek teweeg ?
2. Wat drukt de muziek die je meebracht uit ? Wat 'hoor' je in de muziek ? Wat 'zegt' jou de muziek ? (cfr. De zeggingskracht van muziek).
3. Wanneer precies doet de muziek je iets ? (cfr. 'open' leren zijn voor muziek). De antwoorden op de vragen worden zorgvuldig neergeschreven.
In een tweede fase gaan we over tot een uitwisseling van de neergeschreven gedachten en beschouwingen. De bedoeling is dat ieder naar de groep toe verwoordt waarom hij/zij dit concrete muziekstuk heeft meegebracht
Afhankelijk van de grootte van de groep wordt met de hele groep of met subgroepen gewerkt. Het geheel verloop als volgt : om de beurt (1) stelt ieder zijn/haar muziekstuk voor (eventueel met wat informatie over de zanger,...) waarna het lied door de groep beluisterd wordt, (2) deelt ieder aan de hand van de antwoorden op de vragen mee waarin dit liedje precies werd gekozen. Na iedere beurt kunnen de andere groepsleden uitleg vragen, bedenkingen maken, ... kan een gesprek ontstaan.
In een derde moment wordt het geheel opengetrokken naar een algemener en abstracter niveau. Omdat deze fase sterk afhankelijk is van de bijdragen van de leerlingen in de voorgaande ronde, kan ik moeilijk concreet aangeven wat in deze fase precies gebeurt. Alleszins ga ik als volgt te werk : de antwoorden van de jongeren bevatten meestal een hele brok informatie over wat zij belangrijk vinden in hun leven. Ik vraag de neergeschreven antwoorden op (anoniem tenzij zij het zelf anders wensen). Uit deze antwoorden distilleer ik een aantal stellingen omtrent waarden in het algemeen, of omtrent het belang van muziek in hun leven, of omtrent het belang van stil zijn, meditatie,... (cfr. De 'meditatieoefening' met muziek in walkman uit de eerste ronde). We spelen een stellingenspel.
Tijdens de laatste ronde probeer ik de jongeren open te laten komen voor andere muziekstukken (andere genres) en tracht ik hen in de leiden in het belang en de betekenis van die muziek. Ik zelf een paar muziekstukken uit en we beluisteren die samen. In eerste instantie laat ik de jongeren op de gekozen werken reageren aan de hand van de vragen uit de eerste ronde. In de tweede plaats laat ik de jongeren proeven van wat de gekozen muziek voor de zanger, groep, ... in kwestie zelf betekent. Voor wat hedendaagse muziek betreft, werk ik hier met interviews (uit Humo, of Oor, of ...) waarin de betrokken artiesten hun visie weergeven. Uitgaande van de vaststelling dat goed muziek op zijn best een uiting is van een (geestelijk) zoekproces naar zingeving en een verwoording van wat voor de artiest in kwestie van belang is in zijn/haar leven laat ik de leerlingen tot slot een nieuwe tekst schrijven voor het lied dat zij hebben meegebracht. Daarin vraag ik hen te verwoorden wat voor hen op dit moment in hun leven van belang (zo je wilt 'heilig') is. Deze tekst worden bij het eind van de bezinning gebruikt als onderdeel van de woorddienst in de afsluitende viering. Ik typ de teksten tenslotte zorgvuldig uit. Zo vormen die teksten samen een eigenzinnig en origineel klasportret.

Bijlage(s):
door Web Master van gosv
27/04/2006 | 11417 bezoeker(s)
DeliciousDiggStumbleUponFacebookTwitterGoogle