SPELEN
luchtig spel rond 'de 10 plagen'
(matig)1. een touw, kikkersnoepjes
2. vliegenmepper
3. een plakkaat met nagels en 10 ballonnen ertussen
4. materiaal om te sjorren, materiaal om handicap na te bootsen
5. een hamer met lange stok, nagels, houtblok
6. een verhoogde sjorpaal (constructie), pingpongballetjes
7. lang springtouw
8. enkele potjes met vieze dingen (zie verder)
9. een teil, enkele liters tomatensap
10. blinddoek, enkele hindernissen om parcours op te bouwen
Luchtig spel rond de 10 plagen:
Inleiding:
- ('s Morgens het verhaal van de 10-plagen vertellen in de ochtendbezinning en werken rond de verschillende godsbeelden. In dit verhaal gaar het specifiek over een straffende God.)
- Rond elke plaag is er een plezant kort spel. 10 mensen van de leiding zijn verantwoordelijk voor één plaag. Alle leefgroepen trekken op ronde en kijken waar een leider vrij is om de opdracht uit te voeren. Er lopen ook twee leiders rond die echte plaaggeesten zijn, want er mogen niet zoveel opdrachten lukken (de plagen waren een straf, remember!)
- Bedoeling = het ervaren van de oneerlijkheid in de spelen; dat ze aan de lijve die 10 plagen voelen.
De plagen met hun opdracht:
1. Kikkers = we hangen kikkers in snoepvorm aan een hoge draad in het bos tussen 2 bomen; gasten moeten springen (of mekaar omhoog heffen) om ze te happen
2. Muggen = gasten moeten 1 minuut praten over muggen, ze mogen niet EUH zeggen of het woord EN; doen ze dat wél, dan worden ze geslagen met een vliegenmepper
3. Steekvliegen = op een plakkaat met nagels hangen verschillende ballonnen (10 per keer), bedoeling is om ze van verre afstand te doorprikken met een vogelpikpijltje
4. Veepest = gasten verdelen in koeien, schapen en geiten; elk dier heeft zijn gebrek (bv maar één arm, maar één been, blind….) gasten moeten door samen te werken iets sjorren
5. Roet in de lucht = met een hamer met een erg lange stok moet men proberen een nagel in een houtblok te kloppen; bij elke verkeerde slag krijgt met een zwarte bol op voorhoofd
6. Hagel = iemand van de groep staat op een verhoogde sjorpaal, anderen gooien pingpongballetjes naar hem; hij moet ze proberen te vangen
7. Sprinkhanen = rope-skipping; twee gasten draaien met touw, rest van de groep moet telkens erdoor lopen, eerst zonder springen, dan telkens met sprong erbij
8. Duisternis = geblinddoekt vreemde en vieze dingen betasten, proeven… bv gelatine (voor in bloemvazen), koud vlees, koude spaghetti…
9. Rode Nijl = in een teil met rood sap (bv tomatensap) iets zoeken met de mond, bv knikkers
10. Dood van de eerstgeborenen = oudste van de leefgroep is de pineut; hij/zij moet een geblinddoekt parcours aflggen, met hulp van de groepsleden a.h.v. verbale aanwijzingen






