JeugdWerkNet, dé plek op internet voor jeugdwerkers

Doe de Vooroordelenmeter!

Thema('s):
Aantal spelers:
1 - 99 spelers, in 1 groep(en)
Leeftijd:
14 - 99 jaar
Terrein:
Duur:
30 minuten
Intensiteit:
rustig (rustig)
Materiaal:
Uitleg:

Kleine Activiteit - Test jezelf rond vooroordelen; Verleyen K.

 

1. Je loopt 's avonds alleen op straat in een stad. Aan de overkant van de straat zie je twee Marokkanen aankomen. Ze steken over als ze jou zien. Wat komt je zo meteen voor de geest?
a) Ze willen met je aanpappen.
b) Ze willen drugs verkopen.
c) Ze willen je de weg vragen.
d) Je maakt snel rechtsomkeert en je snelt weg.
e) Je zegt gewoon 'Goeienavond' en je gaat verder.
 
2. Op de trein zit je tegenover een echte 'Marina'. Ze zit haar haar nog wat te 'fatsoeneren' tot het laatste haartje juist ligt... Jij zit je in je jeans en slobbertrui af te vragen of de treinstaking morgen zal doorgaan .
a) Je vraagt het haar even.
b) Je bent ervan overtuigd dat ze niet zal antwoorden en je vraagt het dus niet.
c) Je vindt haar belachelijk en spreekt haar dus niet aan.
d) Je durft haar niets te vragen uit angst dat ze je zal afsnauwen.
 
3. Je leerkracht gaf je een zware opdracht: een collagedossiertje maken over je droomhuis en er een opstel bijschrijven. Je begon er veel te laat aan en de laatste woensdagmiddag zit je aan de tafel in de huiskamer te knippen en te plakken, met al je materiaal verspreid over de tafel. Je wordt aan de telefoon geroepen. Bij je terugkomst vind je niet onmiddellijk je schaar en lijm om verder te werken.
a) Je roept meteen dat je kleine zus je spullen moet teruggeven, zonder eerst te zoeken.
b) Je zoekt een beetje, en wordt boos en geeft je zusje een tik en een snauw om je spullen terug te krijgen.
c) Je zoekt eerst grondig en vraagt je zusje dan of zij je spulletjes gebruikt heeft.
 
4. In jouw klas zit een zwaarlijvig(e) meisje/jongen. Tijdens de gymles wordt een volleybalploeg samengesteld voor de middagcompetitie. Deze jongen of meisje wil wel meespelen.
a) Je kiest hem/haar ook uit de kandidaten, ondanks de zwaarlijvigheid.
b) Je kiest hem/haar voor de reservespelers.
c) Je kiest hem/haar helemaal niet; met hem/haar in de ploeg wint de klas zeker niet.
 
5. Zet een kruisje bij elke uitspraak waarmee je akkoord gaat.
a) Wie eens steelt, is altijd een dief.
b) Men heeft dikwijls een aardje naar zijn vaartje.
c) Wat de boer niet kent, dat eet hij niet.
d) Vrouwen zijn zwak.
e) De kleren maken de man.
f) Soort zoekt soort.
 
6. Je bent in een discotheek. Een rosharig(e) jongen/meisje komt op je af om een praatje te maken.
a) Je antwoordt koel en beleefd, heel afstandelijk.
b) Je antwoordt vriendelijk en hartelijk zoals tegen een andere jongen/ meisje.
c) Je zegt hem/haar meteen dat hij/zij moet ophoepelen.
 
7. Abdul/Kamareia is een Islamitische jongen/meisje. De laatste dagen in de refter van de school eet of drinkt hij/zij niet. Het is vastenmaand: Ramadan.
a) Je treitert hem/haar en vraagt voortdurend of hij/zij een boterham van jou wil.
b) Je vraagt hem/haar of hij/zij het er niet moeilijk mee heeft om tussen al die etende mensen te moeten zitten.
c) Je lacht hem/haar uit en je vindt het idioot dat hij/zij de godsdienstvoorschriften zo stipt volgt.
d) Je bent geïnteresseerd en vraagt hem/haar een woordje uitleg over de vasten in zijn/haar godsdienst.
 
8. Er komt een opvanghuis voor ex-gevangenen in je buurt. Hoe sta jij ertegenover?
a) Je wil meteen mee scherp protest aantekenen. Dit is onverantwoord!
b) Je doet voortaan de deur op slot en de ramen dicht als je alleen thuis bent.
c) Je gaat kennismaken. Je vindt het een goed initiatief. Die mensen zijn ook bij jou welkom.
d) Je beschouwt hen als nieuwe buren, zonder meer.
e) Zo'n opvanghuis is wel nodig, maar jij huivert toch als je een van hen op straat tegenkomt.
 
9. Zondagmiddag, het einde van een heerlijke maaltijd. Er wacht evenwel een boel opruimwerk en een immense vaat...
a) De jongens doen de vaat, de meisjes hebben immers al gekookt.
b) Keukenwerk is niets voor 'mannen', laat de 'vrouwen' dat maar doen.
c) De kookploeg rust, de anderen doen de vaat.
 
10. Je bent op studie-uitstap en je bezoekt een museum waar moderne kunst tentoongesteld is. Wat is je instelling als je het museum binnengaat?
a) Het interesseert je geen barst. Je begrijpt niet eens waarover het gaat.
b) Dit is belachelijk; dat is geen kunst. Je zult zien: dat kan het kleinste kind ook.
c) Is er niets interessanters dan dat om te bekijken?
d) We zijn hier nu toch, laat ons maar eens gaan kijken. 't Zou kunnen meevallen.
e) Moderne kunst? Nooit gezien! Lijkt interessant om te leren kennen....
 
11. Je vriend(in) en jij luisteren op een vrije middag naar enkele nieuwe CD's. De bel gaat. Voor de deur staan twee mensen die je over Gods boodschap en de bijbel willen spreken: getuigen van Jehova of mormonen, weet jij veel.
a) Je nodigt hen uit om hun verhaal binnen te komen doen. Je wilt weten wat ze precies bedoelen.
b) Je zegt onmiddellijk dat je geen tijd hebt en dat je je eigen geloof hebt.
c) Je laat hen wat vertellen en verdedigt je standpunt vanuit je eigen overtuiging. Je laat je niet door hen overdonderen.
 
12. Werklozen. Daar wordt veel over gesproken. Wat stemt het meest overeen met jouw mening?
a) Jij ziet de ernst van de economische toestand in en jij vindt dat die mensen met evenveel respect benaderd moeten worden als andere mensen.
b) Volgens jou schaft men de stempelcontrole beter niet af. Mensen die gaan werken, moeten ook elke dag vroeg opstaan en zorgen dat ze kinderopvang hebben. Stempelaars hebben alle tijd; ze mogen wel iets doen voor hun geld.
c) Het zou goed zijn als de werkloosheidsvergoeding zou afgeschaft worden. Dan zouden de werklozen tenminste echt werk gaan zoeken.
 
13. Je klasleraar komt de klas binnen en kondigt een ernstig klasgesprek aan in plaats van het verwachte uur wiskunde. Hij vertelt jullie dat Bart/Birgit een 'probleem' heeft. Bart/Birgit is seropositief. Hij/zij werd besmet met het HIV-virus door een bloedtransfusie in Afrika, tijdens de vakantie. Wat is jouw reactie?
a) Je wilt meer uitleg, want je kent de betekenis van seropositief zijn niet goed.
b) Je wilt met Bart/Birgit niets meer te maken hebben. Wat denken ze wel: geen aidslijder onder jouw vriend(inn)en.
c) Je neemt je voor vanaf nu extra aandacht aan hem/haar te besteden. Hij/zij zal het erg nodig hebben.
d) Je doet gewoon zoals voorheen tegen hem/haar, maar je let een beetje extra op met hem/haar in de buurt.
 
14. Jullie vormen met zijn vijven toch wel een supertof clubje vriend(inn)en. Jullie zijn onafscheidelijk: samen sporten, samen uitgaan,... Op een dag begint Wendy/Dirk te vrijen. Jullie overleggen: mag haar/zijn lief mee uitgaan met het groepje of moet Wendy/Dirk maar afhaken?
a) Jij pleit voor: hoe meer zielen, hoe meer vreugde. Wendy/Dirk mag niet 'gedumpt' worden.
b) Je pleit tegen: toch geen 'onnozele gast/flauwe griet' in onze toffe kliek, zeker?!
c) Je zegt: oké, dat kan best leuk worden.
 
 15. Je leest in de krant dat een school in Zuid-Afrika tot nu toe alleen blanke kinderen telde. Na de afschaffing van de apartheid mogen daar in principe ook zwarte kinderen inschrijven. De school weigerde dat en ze kreeg ongelijk van de rechtbank. Jouw reactie:
a) Je vindt dat de school zoiets zelf moet kunnen beslissen. Wil ze geen zwarte kinderen, dan is dat oké.
b) Je vindt het heel normaal dat de school de zwarte kinderen niet wil inschrijven.
c) Je bent het eens met de rechtbank: zwarte kinderen mogen in elke school ingeschreven worden.
d) Je bent verontwaardigd over de houding van de school: elk kind heeft toch recht op onderwijs, blank of zwart, en wel in een school naar eigen keuze.
 
De puntentelling
  1. a=3; b=3; c=1; d=5; e=0
  2. a=0; b=3; c=5; d=3
  3. a=3; b=5; c=0
  4. a=0; b=3; c=5
  5. voor elk kruisje 1 punt
  6. a=2; b=0; c=5
  7. a=3; b=1; c=5; d=0
  8. a=5; b=3; c=0; d=0; e=3
  9. a=3; b=5; c=0
  10. a=4; b=5; c=3; d=1; e=0
  11. a=1; b=5; c=3
  12. a=0; b=3; c=5
  13. a=1; b=5; c=0; d=3
  14. a=1; b=5; c=0
  15. a=4; b=5; c=2; d=0
 
0-15 punten
Jij staat meestal onbevooroordeeld tegenover mensen. Je laat ze zelf bewijzen wie ze zijn, zonder ze vast te pinnen op uiterlijk of roddel. Je staat open voor andere en nieuwe ideeën.
 
16-31 punten
Je hebt je idee over bepaalde mensen, maar dat staat niet onherroepelijk vast. Als ze het tegendeel bewijzen, stap jij van je oordeel af. Je geeft mensen kansen; je ziet wel wat het wordt. Je vormt uiteindelijk je mening op basis van eigen ervaringen.
 
32-50 punten
Je bent een beetje op je hoede. Je weet dat veel geruchten waarschijnlijk fel overdreven en veralgemeend zijn maar je wil toch op veilig spelen. Je ziet trouwens wat je ziet: het uiterlijk van mensen zegt al veel over hun gedrag. Je denkt liever mee met de meerderheid dan op te vallen door een andere mening te verkondigen. Let op: dit kan ‘ongezond’ zijn!
 
51 punten en meer
Je loopt met veel vooroordelen rond. Pas ervoor op dat ze niet leiden tot vijandigheid en wantrouwen tegenover alles en iedereen. Omdat mensen andere waarden hebben, hoeven ze voor jou nog geen constante bedreiging te zijn. Stel je meer open voor nieuwe en ongekende mensen en ideeën. Durf te leven.
Bijlage(s):
door Cleo Swimberghe van Jongeren Tegen Racisme - Nationaal
12/10/2009 | 3296 bezoeker(s)
DeliciousDiggStumbleUponFacebookTwitterGoogle