NIEUWS
Welke gemeenten krijgen voor 2011-2013 extra middelen voor jeugdwerk met maatschappelijk achtergestelde kinderen en jongeren?
De Afdeling Jeugd van het Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen heeft berekend welke steden en gemeenten voor de beleidsperiode 2011-2013 extra middelen zullen ontvangen voor jeugdwerk met maatschappelijk achtergestelde kinderen en jongeren.
Op basis van de scores op 8 kansarmoede-indicatoren, die in het uitvoeringsbesluit gemeentelijk jeugdbeleid zijn opgenomen, wordt een korf van een 40-tal steden en gemeenten samengesteld.
Wie zit er in de korf?
Vergeleken met de periode 2008-2010 zijn er een aantal gemeenten die ‘afvallen’ en een aantal nieuwkomers. Het is uiteraard heel belangrijk te weten of je beroep kan (blijven) doen op deze extra middelen of niet. Onderaan vind je een overzicht per provincie.
Wie valt er uit de korf?
De gemeenten die uit de korf vallen na deze berekening zijn: Borsbeek, Bredene, Diest, Dilsen-Stokkem, Middelkerke, Niel, Temse en Zele.
Hoeveel extra middelen mag je verwachten in 2011-2013?
De berekening van deze bedragen is vrij complex en de eerste weken heeft de Afdeling Jeugd nog andere katten te geselen. Nog een beetje geduld dus, maar binnen enkele weken mag je een indicatief bedrag verwachten, waarop je je bij je planningswerkzaamheden kan baseren. Het bedrag blijft indicatief omdat veel afhangt van de goedkeuring van de Vlaamse begroting van 2011.
Info en inspiratie?
De Afdeling Jeugd en de VVJ plannen begin april een infomoment voor onderstaande 41 gemeenten. Daar krijg je meer info en duiding, alsook een inhoudelijk insteek over hoe je deze extra middelen zinvol kan inzetten.Binnenkort krijg je de concrete uitnodiging in de bus.
Overzicht van de gemeenten die in 2011, 2012 en 2013 in aanmerking komen voor extra middelen
Provincie Antwerpen
1. Antwerpen
2. Boom
3. Mechelen
4. Willebroek
5. Turnhout
Provincie Limburg
6. Beringen
7. Genk
8. Leopoldsburg
9. Sint-Truiden
10. Heusden-Zolder
11. Houthalen-Helchteren
12. Tongeren
13. Maasmechelen
Provincie Oost-Vlaanderen
14. Aalst
15. Denderleeuw
16. Geraardsbergen
17. Dendermonde
18. Wetteren
19. Eeklo
20. Zelzate
21. Gent
22. Ronse
23. Lokeren
24. Sint-Niklaas
Provincie Vlaams-Brabant
25. Asse
26. Halle
27. Liedekerke
28. Vilvoorde
29. Drogenbos
30. Leuven
31. Tienen
Provincie West-Vlaanderen
32. Blankenberge
33. Ieper
34. Mesen
35. Wervik
36. Kortrijk
37. Menen
38. Oostende
39. Roeselare
40. De Panne
41. Nieuwpoort
Uit het decreet en het uitvoeringsbesluit gemeentelijk jeugdbeleid
In het decreet:
Hoodfstuk II – Artikel 8 - §2 bis:
2° 20 procent wordt, op basis van sociaal-geografische indicatoren, verdeeld onder de gemeentebesturen en gereserveerd voor de ondersteuning van jeugdwerkinitiatieven die de toegankelijkheid van het jeugdwerk verhogen voor alle kinderen en jongeren, en waarin gewerkt wordt met kinderen en jongeren die zich in een sociaal-cultureel of sociaal-economisch zwakke positie bevinden, onder de voorwaarden, die de Vlaamse Regering bepaalt;
In het uitvoeringsbesluit (voor de periode 2008-2010!) vinden we (De nieuwe uitvoeringsbesluiten voor 2011-2013 zijn er nog niet):
Hoofdstuk 2, artikel 2 - §2 tot en met §7
Voor elke gemeente wordt de relatieve maatschappelijke achterstelling bij kinderen en jongeren vastgesteld aan de hand van acht indicatoren en worden de verkregen aantallen per indicator omgezet in percentages die de verhouding uitdrukken tussen de aanwezigheid van de vermelde groep in de gemeente en de aanwezigheid ervan in het Vlaamse Gewest.
Die acht indicatoren zijn:
1. het gemiddelde aantal inwoners, jonger dan 25 jaar, uit een land dat niet behoort tot de groep van de rijkste landen, zoals bepaald in de “statistical profiles of LDCs (Least Developed Countries), 2001” van de Unctad;
2. het gemiddelde aantal kinderen, geboren in kansarme gezinnen, volgens de typologie van Kind en Gezin;
3. het gemiddelde aantal jongeren onder maatregel, zonder of met kosten, binnen de bijzondere jeugdbijstand;
4. het gemiddelde aantal uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, jonger dan 25 jaar;
5. het gemiddelde aantal leefloners, jonger dan 25 jaar;
6. het gemiddelde aantal kinderen en jongeren die onderwijs volgen in de types 1, 3 en 8 van het buitengewoon lager onderwijs, opgeteld bij het aantal leerlingen in de types 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;
7. het gemiddelde aantal jongeren in het deeltijds onderwijs;
8. het gemiddelde aantal jongeren in het gewoon voltijds secundair beroepsonderwijs.
§3. De percentages, vermeld in §2, worden per gemeente opgeteld. Hierbij wordt onderstaande weging in acht genomen: de indicatoren, vermeld in §2, tweede lid, 6°, 7° en 8°, tellen elk slechts voor een derde. Het verkregen resultaat wordt gedeeld door 6.
§4. Als het in §3 verkregen resultaat hoger is dan het aandeel van die gemeente in het totale aantal inwoners, jonger dan 25 jaar, in het Vlaamse Gewest, dan wordt die gemeente geselecteerd. Alleen de geselecteerde gemeenten worden verder in aanmerking genomen voor de toekenning van een subsidie krachtens §1.
§ 5. Opdat de indicatoren bij de subsidieberekening hetzelfde gewicht zouden behouden, worden de percentages per gemeente verhoudingsgewijs herberekend. Het beschikbare krediet wordt verdeeld over de geselecteerde gemeenten naar rato van deze herberekende percentages.
§ 6. Het bedrag wordt, indien nodig, verhoogd tot maximaal 80 procent van de subsidies die toegekend werden op basis van de werking voor 1998, bedoeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 december 1993 betreffende de subsidiëring van gemeentebesturen en van de Vlaamse Gemeenschapscommissie die een jeugdwerkbeleid voeren voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. Zodoende is voor deze gemeenten de subsidie krachtens artikel 8, §2bis, 2°, van het decreet, opgeteld bij de subsidie krachtens artikel 8, §2bis, 1°, van het decreet, maximaal gelijk aan het totale subsidiebedrag voor 2000.
Het bedrag dat nodig is om te komen tot die verhoging, wordt, evenredig met het volgens §5 vastgestelde percentage, verminderd bij de andere gemeenten, geselecteerd volgens §4.
§7. In het jeugdbeleidsplan moet het college aantonen in welke mate de jeugdwerkinitiatieven die in het kader van dit artikel voor ondersteuning zijn voorgesteld, voorzien in de behoeften van kinderen en jongeren die leven in situaties die sterk bepaald worden door:
1. het behoren tot een etnisch-culturele minderheid;
2. armoede;
3. lage scholing;
4. problematische opvoedingssituaties of als misdrijf omschreven feiten.
Hierbij besteedt het college aandacht aan de geografische spreiding en de spreiding volgens leeftijd en geslacht.
Vragen?
VVJ – Ben Verstreyden – bverstreyden [at] vvj [dot] be of 03-821 06 08
Afdeling Jeugd – Els Cuisinier - els [dot] cuisinier [at] cjsm [dot] vlaanderen [dot] be of 02-553 41 40
17/02/2010 | 489 bezoeker(s) | 0 reactie(s)






Nieuwe reactie inzenden